We hebben het ondertussen allemaal gemerkt: de verlichting. Voor alle duidelijkheid: de straatverlichting. Niet de Verlichting, want die is nog niet overal in de Vlaamse dorpen doorgedrongen. Ons publiek debat — of wat daar voor moet doorgaan — komt nog vaak neer op pontificeren over “belangrijke” thema’s, zoals staatshervorming, migratie en economie. Wat niet bepaald hoeft te verbazen: de meerderheid denkt immers vooral aan de eigen portemonnee, desnoods ten koste van anderen.
Maar terug naar de straatverlichting. Onze gemeente en Farys hebben uitstekend werk geleverd, echt op maat van een exclusieve (?) verkaveling. De lichtintensiteit is zelfs dermate dat we ‘s morgens en ‘s avonds zonder autolichten kunnen rondrijden.
Uiteraard is de straatverlichting ‘s nachts gedoofd, zodat we “slechts” gedurende een tiental uren verbruiken en ruim 40% energie besparen. Maar zelfs deze tien uren kunnen we in vraag stellen. Niet enkel om te besparen of lichtvervuiling tegen te gaan. De verlichting zélf is namelijk niet bepaald aangenaam, door de intensiteit en transparante behuizing.
Niet iedereen is het daarmee eens, want verlichting is zogezegd noodzakelijk. Waarom? In één van de meest exclusieve buurten van Amerika — Altherton, CA — is er bewust geen straatverlichting, zelfs niet aan voet- en fietspaden. Lopen we weer enkele decennia achter?
En alsof straatverlichting niet volstaat, hebben sommigen nog nood aan bijkomende boom- en tuinverlichting. Sfeer creëren heet dat onder de middenklasse. Terwijl de statige landhuizen van de adel baden in natuurlijke duisternis. Zelfs miljardair Albert Frère is zuinig met verlichting. “We zijn hier niet bij de Rothschilds”, zei zijn moeder voortdurend. Andere mentaliteit.
Kortom, in de Grote Thems is er geen gebrek aan licht. Misschien wel, hier en daar, in de geesten en de harten. Maar we hebben allemaal het recht om te besparen op de energiefactuur.
